Proza

Radioboek voor DeBuren, ‘Ster der Verlossing’:

http://www.radioboeken.eu/author.php?lang=NL&id=1

_____________________________________________________

 

Fragment uit: Het verborgen  weefsel, 2008

In de eerste stille uren van de ochtend, in het ruisende grijs van natte sneeuwvlokken, heeft Jelina kleine palmen uit de rotsen losgetrokken. De taaie planten voelden mals en jong aan, de eerste tekenen van het vroege voorjaar. Hun taaie wortelstel zat net onder de oppervlakte, als harige vingers die brokken steen omklemd hielden. Ze lieten hun prooi met tegenzin los.

Ze heeft de jonge boompjes in een emmer koud water gedompeld, en ze daarna in de border rond het huis geplant. De ruis van natte sneeuw om haar heen werd luider. Haar haren raakten doorweekt. Ze had een spade in de hand op het ogenblik dat een kat uit de oude wijnkelder sprong. Dat ze even de opwelling voelde om het dier met een welgemikte klap te doden, zo maar zonder reden, deed haar hart bonzen.

‘s Middags heeft ze een kleine truffel over een omelet geraspt: zwarte brokjes aarde, geurend naar iets oeroud en dierlijks, dat verdwijnt als je erop kauwt.

’s Avonds, bij het vuur, bekijkt ze een fotoboek waarin allerlei rare foetussen staan. Vervolgens leest ze een paar bladzijden in een boek over een New Yorks architect. Het verveelt haar en de fles wijn raakt op. Alles verveelt haar op zo’n ogenblik.

Terwijl ze nog even naar muziek zit te luisteren, herinnert ze zich de prehistorische vis, die haar dochter enkele maanden tevoren had zitten tekenen. Ze had er toen een gedicht over willen maken, maar dat lukte niet. Ook toen luisterde ze naar deze muziek, het was een zondagmiddag in oktober. Licht leek door haar lichaam te stralen alsof het van helder water was geworden. Gregorio Allegri, Miserere. De ijle stemmen maken haar rustiger.

*

Hans slaapt, in het bergdorp ruist het smeltwater, de laatste as gloeit in de haard. De muziek lijkt uit een andere eeuw de kamer binnen te drijven. Ze voelt een beklemmend verlangen naar niets bepaalds, ze moet nog in de laatste smeltende sneeuw gaan lopen, donkere hellingen op en af, voordat ze kan gaan slapen naast het ademende, rustgevende lichaam dat boven op haar wacht.

Laat in de nacht schrikt ze wakker, hoort kinderstemmen in de lager gelegen straatjes van het dorp. Ze heeft iets vreemds gedroomd: ze kon in de tijd drijven als was ze onder water, en ze dreef door haar kinderjaren. Wanneer ze aan de westkant door het raam naar boven kijkt, ziet ze de donkere, dreigende rotspartijen tegen de zwarte lucht. Een van de kinderstemmen gilt in de diepte, onder het vage licht van een oude straatlantaarn. Het doet haar denken aan oude films.

*

Ik heb een moeilijke dag, schrijft ze in haar journaal, want mijn herinneringen doen mij pijn; ik stuit op foto’s van vroeger, en die geven me uitzicht op wat verloren ging, op woorden die vervlogen zijn, op iets in mij dat sinds die tijd verdwenen is. Ik probeer te lezen, maar mijn gedachten dwalen af; ik zet muziek op, maar ik luister niet; ik kan niet spreken, zodat mijn huisgenoten denken dat ik ziek of gek geworden ben; ik zie het gezicht van een geheime minnaar van lang geleden, mijn lijf speelt op, ik draai me om en zie de spiegel, de lege kring rond de pupillen van mijn ogen; ik hunker en houd me stil, alsof ik schuldig ben aan mijn verlangen. Toch wil ik niemand zien, met niemand spreken, niemand aanraken, eigenlijk wil ik amper mezelf voelen; ik ben mijn eigen sombere illusie, en de uren gaan voorbij met niets anders dan dit gekkenwerk.

Haar computer slaat uit terwijl ze midden in een zin is. Meteen heeft ze het gevoel dat het leven haar verraadt. Ze verfoeit haar overgevoeligheid, maar blijft in haar zelfbeklag zitten als in een warm bad. Ten slotte rookt ze een sigaret, zittend bij het open raam, haar benen op de vensterbank; ze strijkt een lok voor haar ogen weg, voelt een vage pijn in haar middenrif. Toch is er niets dan vrede, stilte om haar heen, een huis in de stomme harmonie van zijn dagelijkse trouw aan haar, de dingen netjes op hun door haar gekozen plaats. En ze piekert en ze zwoegt en ze komt tot niets, zodat ze tegen de avond doodop is van niets anders dan, zoals ze het noemt, het verplaatsen van lucht. Dan, terwijl ze in de keuken bezig is, komt er een zin in haar op, ze beseft meteen dat hij volmaakt is, ze koestert hem terwijl ze groenten schoonmaakt. Dan gaat de telefoon en ze vergeet de zin, iets waarover ze wrokt wanneer ze wakker wordt diep in de nacht.

*

Ze hield van de zwevende, lichtelijk valse tonen van oude vinylplaten, hun gekraak en onvolkomenheden, zoals ze hield van niet gezeemde ramen, de licht loensende blik van Hans, van het onzuivere filter van herinnering, vergeten dagen en verstrooidheid, de kleine kwetsuren die ze daarbij opliep doordat ze met haar gedachten elders was. Ze hulde zich in een waas van zwijgen, dagenlang, hield zich schuil als een slang onder een takkenbos, terwijl ze het gevoel kreeg dat ze met haar gedachten kon ruiken, met haar vingers horen, met haar lippen dingen zien die ze, bestoft als ze waren, schoon blies en dicht bij haar nietsziende ogen hield.

*

De terugrit van het bergdorp naar huis valt haar zwaar. Ze zwijgt de hele tijd, Hans staart voor zich uit, het kind op de achterbank is verdiept in een spelletje. Lang in de auto rijden geeft haar het gevoel dat alles in haar leven onwezenlijk is, een droom die door een ander wordt gedroomd.

Op haar werkkamer, de volgende dag, leest ze in een boek een pleidooi voor de heidense oervrouw Lilith, tegen de christelijke Eva. Het boek beweert dat geschapen worden, zoals Eva, de dood in de pot betekent; dat men zichzelf moet leren voortbrengen. ‘Zichzelf voortbrengen is het enige alternatief voor zelfvernietiging’. Ze streept de zin met een fijn potlood aan.

*

Ze haalt haar kind van school. Ze wacht tussen de andere moeders tot ze het bekende gezichtje tussen de andere ziet opdoemen. Ze streelt het meisje door de haren en stapt zwijgend in de auto. Bij het achteruit wegrijden uit de parkeerplaats veroorzaakt ze een lichte aanrijding, een schram, iets dat ze in der minne wil regelen. Maar de bestuurster van de aangereden auto windt zich op, wil de politie erbij, haalt formulieren te voorschijn, eist dat er een schuldbekentenis wordt getekend. Het duizelt haar terwijl ze naar het kleine, felle, haatdragende gezicht kijkt. Ze staart naar de rimpeltjes rond de mond van de vrouw, ze ondertekent het formulier. Ze krijgt geen woord over haar lippen, stapt weer in de auto. Ze neemt het kind mee naar een speeltuin, waar ze probeert verder te lezen in haar boek, maar dat lukt niet. Ze legt het boek terzijde; roept het kind, dat bij haar op schoot kruipt. Zo blijft ze lang zitten staren naar een donkere, heen en weer wiegende tak boven het kale grasveld met de lege colablikjes, terwijl ze het kind, dat weet dat het haar niet moet aanspreken, werktuiglijk door de haren streelt.

*

De jaren waarin haar kind opgroeide nam ze waar als in een waas – huiselijk geluk vertroebelt, door de manier waarop het mensen inneemt. De stomme continuïteit van het alledaagse leven lijkt haar weg te voeren van de stille kern in haarzelf. Het verleert haar te luisteren naar dat donkere, stille niets in haar, de onoverbrugbare kloof tussen haar knagende gedachten en haar eigen leven. Op zich is dat niet erg; ze weet wel hoe kaal en hard het is in de diepte van haar gemoed. Maar er is iets veel onrustbarenders aan de dagelijkse omgang met de drukte van huiselijk geluk: het laat haar beetje bij beetje beseffen dat ook daar, in de vleesgeworden vervulling zelf, een holte zit, een afwezigheid die aanzwelt. Ze moet het met iets van ongeloof en geschoktheid vaststellen: dit geluk lijkt op depressie, ook een toestand waarin men de voeling met zichzelf kwijtraakt.

*

Sommige mensen, zegt ze, hebben altijd geheime agenda’s. Wanneer ze iemand ontmoeten die er zelf geen blijkt te hebben, voelen ze zich opgelicht en worden boos. En jij, vraagt Hans, door wie voel jij je opgelicht? Door mijzelf zoals ik besta in jou, zegt ze. Waarom hou je eigenlijk van mij?

*

Haar verlangen, als kind, om op een plek te zitten in het bos waar niemand anders bij kon (aan de overkant van een beek in dicht struikgewas, voorbij een afsluiting in verwilderd gebied, op een pad dat alleen door dieren werd gebruikt). Het verlangen dat aan de bron lag van alles wat ze schreef: ergens alleen mee te kunnen zijn. Maar elk gebiedje, gewonnen op de woorden, werd achteraf door andere ogen platgelezen, en ze verliet het snel, om elders weer op zoek te gaan naar eenzaamheid. Juist omdat ze vrede zocht, joeg ze zichzelf steeds verder, verviel ze telkens weer in onvrede.

*

Reacties zijn gesloten.