Poëzie

Muziek voor de Overtocht, Gedichten 1975 – 2005

De Bezige Bij Amsterdam 2006, 844 pp.

____________________________________________________

Uit: De val van vrije dagen, Amsterdam, De Bezige Bij 2010

Klooster San Jeronimo, Belem

Je kunt je leven elk ogenblik
Opnieuw beginnen door niets
Meer te willen dan dit nu:

Blauw en geel, luchtsteen en zand,
Het kappen van een zuil en
Stemmen op een zuilengang.

Keer in je tegenbeeld,
Het luie vliegtuig in
De smetteloze dag, ga met

De mussen en de meeuwen
Op het dak, kom neer als
Kiezel, je handen schrijven,

Een kind roept je naar deze uren,
Denk aan water, verre eeuwen.
Het is nu.

Angye in de salsabar

We glijden in een stroom die
van Cadiz over de droom tot
Puerto Rico reikt, we komen er
de snelheid tegen, de lome slaap
van algen, rifbouw en demonen;

we vinden er elkaar in knopen
die het lichaam weer ontwarren
uit verlangen, fasering van
een wenteling, een oogopslag;

de mengelmoes die ons doorbreekt
met wat voorhanden is na middernacht,
de overvloed van privileges in een spiegel,
mensenmachine in een Gran Hotel,

iets als organen in het donker
van haar heupen, kleine afgrond,
de golf die koortsig maakt
en zich bevrijdt, daar voor

de kleine ronde tafel

waar het haar indrinkt,
in geurig Medellin,

volmaakt, alsof wij het waren

in het schaduwrood van
vleugels op haar rug,
waar ze belofte
is, en bloedt.

De val van vrije dagen

Er is, in tussentijden van verwachting,

geen gat zo ondiep of de ziel tuimelt

erin: de floxen die geen rozen zijn,

wolkenloos geregen, brons dat tot

koek verkruimelt, lege portretkunst

voor een verwaaiende spiegel,

je bleke ogen die, zei Baudelaire,

het onweer van een passie in een

vlekje dragen, nietiger dan jij en ik,

want aangekondigd is ons doodgaan

in andermans kleren,

de tussentijd waarin je niet meer

wordt verwacht, een gat waar

ooit je leven zat,

tegen de avond fluit de buurman zacht

No milk today, alvast voor morgen.

Poortje in Sopron

Het is een oog dat zich voor eeuwen

heeft gesloten, versneeuwde steen

is eromheen gegroeid.

De synagoge zwijgt

omdat er niemand over is.

De grendel heeft zich

ontfermd over haar verborgen ster,

de waterput, de snelle wolken

zonder vast adres.

Koel is de boog, Romaanse handen

die zich welven en waken

over deze heldere, onuitsprekelijke

ramp.

Reacties zijn gesloten.