| PROZA |
De parken van Brussel
Parken en tuinen lijken de schuldaflossing te zijn voor de verloren arcadische grond waarop steden werden gebouwd. Hun bedekkend karakter wordt daar weer teniet gedaan, zodat het park kan worden ervaren als het wegtrekken van de stenen sluier, die ons de aantrekkingskracht van de aarde met asfalt en gebouwen had ontnomen. Omdat het park omsloten is door steen van straten en pleinen, en zich daar weer aarde en groen toont, heeft het altijd een licht erotiserende toets; het succes die bankjes onder lage kruinen bij minnaars hebben, is een logisch gevolg van deze ontsluiering van aarde.
Steden zijn een ritmering van open en dichtgaande ruimten; het plein ontsluit zich voor de blik, de straat omsluit ons opnieuw. Wie lang wandelt of door steden stapt, neemt deze alternering van verruiming en intimiteit vaak onbewust in zich op als een lustbeleving van de ruimte. Maar waar het park zich opent, wordt de oude belofte waar, dat we ooit weerkeren naar een tuin in de herinnering. Daarom zijn parken ook plekken waar de stad zichzelf herinnert, zijn verborgen oorsprong en het geheim dat onder de plavuizen slaapt.
Brussel is een uitzonderlijk groene stad; het heeft ontelbare parken – kleine, stoffige, verborgen in een volkswijk, veronachtzaamd en weemoedig; grote, zelfbewuste parken als ter Kameren, de vijvers van Elsene; de wenteling van richtingen in het Josaphatpark lijkt iets van hoop op een einder te beloven, die toch versluierd blijft; het park van Laken bevestigt de hoofdstad in zijn horigheid aan een koningshuis, iets wat zich in de andere steden van het land niet zo concreet doet voelen; de neoclassicistische retoriek van het Jubelpark vergeet zijn nationale waan en ligt er op septemberochtenden bij als een archeologische weide met een triomfboog en een moskee; de kruidentuin van het Erasmuspark heeft nog een vage middeleeuwse flair; het Georges Henri-park beschikt over een geurentuin waar de minder mobiele medemens wordt uitgenodigd om er stil zittend op te gaan in de illusie van een burgerlijk Arcadia; de heldere Kruidtuin temidden het verkeer lijkt aangelegd om ervan weg te kijken, naar de benedenstad, met de basiliek die pronkt in haar perspectief; en het Warande-park is eigenlijk niet veel meer dan een verzameling geometrische paden tussen ambtelijke gebouwen en een paleis, waaromheen bomen staan als sluiers. Toch treft de magische werking telkens subtiel haar doel. De beschutting van het park is er niet alleen een van ruimte, maar ook van tijd – wie het park binnenstapt vertraagt de pas, hervindt het slenteren dat het jachtige leven hem of haar had verleerd. De monumenten van inmiddels onbekenden, een plek waar we kunnen mediteren over de vergetelheid van samenlevingen, bieden een bemost geschiedenisboek waarvan de tekst goeddeels onleesbaar is geworden. Sommige parkjes lijken eerder op een collectieve tuin, waaromheen de bewoners leven, het oog dagelijks gericht op de duiven, de kruinen, de wolken, of het geometrische patroon dat de door mensenhanden geschapen natuur daar voor hen in petto heeft. Het pleintje van de Armand Steurssquare wordt door zijn opwonenden op een internetsite zelf omschreven als een juweel. De vergelijking van een park met een juweel is merkwaardig; het toont onomwonden aan dat parken er niet zijn voor de terugkeer naar de natuur, maar om er zoiets als een oudere cultuur in te bewaren (die van de achttiende eeuw voornamelijk). De opsmuk van de oude troela, die de stad geworden is.
Natuur is in de parken een kwestie van het artificiële – omwille van die paradox prikkelt het ook onze verbeelding. Sommige parken lijken meer bedoeld om de wandelaar een honderdtal meter van zijn saaie dagelijkse traject door een vleug chlorofyl te loodsen, meer dan om er even te vertoeven (zo bijvoorbeeld het Maximilaanpark bij het Noordstation). Andere, zoals het Sauvagerepark en Ter Kameren, zijn ontstaan uit vroegere kasteel- of abdijtuinen, en gingen, in nog vroegere tijd, terug op restanten van het Zoniënwoud. Het esthetisch aangelegde groen dat vroeger bestemd was voor een elite, werd in de twintigste eeuw een democratisch goed, maar evenzeer begon het toen vaak te vervallen tot de ongedefinieerde ruimten waar men na het invallen van de duisternis niet meer komt, tenzij men er zoekt wat er precies dan wordt aangeboden: de efemere, anonieme lusten die geen daglicht willen. Om die de pas af te snijden, worden heel wat parken met zonsondergang gesloten. Vogels en kleine dieren hebben dan, midden in de stad, het rijk alleen en de late wandelaar voelt zich buitengesloten. Eén van de meest charmante parken in Brussel is ongetwijfeld het park Tournay-Solvay; het is aangelegd als een landschapsillusie, het heeft perkjes, priëlen en moestuinen, onverwachte hoekjes en een ouderwetse poëzie. Er is geen geur betoverender dan die van vochtig groen op een warme voorjaarsdag, gemengd met de typische geuren van de grootstad. Omdat natuur er cultuur is geworden, heeft het groen er steeds een melancholische scherpte, alsof het zich bewust is van zijn meerwaarde in gevangenschap. Het majestueuze van het Park van het kerkhof van Brussel, met zijn zorgvuldig samengesteld arboretum, het Bronnenpark in Woluwe met zijn spiegelende vijver waarbij ijsvogels wonen, het landelijke classicisme van het park bij de Abdij van Vorst – stuk voor stuk geven ze herinneringen vrij van het vroegere landschap dat door de stad werd ingenomen. Deze herinneringsmodaliteit van de groene ruimte zet zich voort in de tuinen in residentiële wijken; omdat Brussel lang geen grote industriële zones heeft gehad vergelijkbaar met die van Luik of Gent, heeft het langer een haast feodaal romantisme gekoesterd, dat door zijn bewoners nog steeds in stand wordt gehouden wanneer ze wandelen onder de hoge beuken van het Zoniënwoud tussen Ukkel en Groenendaal. Het park-karakter van de oude adellijke en gemeentelijke eigendommen strekt zich zelfs uit tot voorbij de voorsteden; wie rond de Hoeve van Ukkel of in Zevenbronnen wandelt, voelt zich niet zozeer op het platteland dan wel in het laatste stedelijk groen, een uiterste stiltezone van een grote stedelijke gemeenschap.
Dat Brussel zo groen is gebleven, dankt het aan het conservatisme van zijn katholieke monarchen en hun entourage; industrie werd door de adellijke negentiende-eeuwse geest doelbewust geweerd om het socialisme van de arbeiders en de industriële vervuiling ver te houden van de heersende kaste van de hoofdstad. Het idyllische groen was er vaak slechts het resultaat van een sociale anomalie, waarvoor we vandaag de dag een vorm van dankbaarheid zouden kunnen voelen. De bevolking in de periferie bleef er landelijker dan rond andere steden, waar de boerenstand zich massaal naar de fabrieken begaf. Rond Brussel werkten de rijkere boeren zich op tot hofleveranciers, poeldeniers in het centrum, specialisten van ambachtelijke producten, en ze behielden vaak lange tijd de landschappelijke context die daarvoor nodig was. De mengeling van kosmopolitisme met regionale ouderwetsheid, die Brussel maar al te vaak typeert, heeft, in combinatie met de ouderwetse luister van de grote domeinen, een charme opgeleverd die veel zegt over de complexe demografie van deze stad. Onder enkele zorgvuldig aangeplante, uitbloeiende bomen lopen dromen krijgt er dan ook vaak een milde glans van een meditatie over het samenleven van mensen, zodat men er makkelijk de arm om een schouder legt en even naar de wolken kijkt, die men op de drukke laan, daar vlakbij, vergeten leek te zijn. Het park is om die reden de stem van de verborgen geschiedenis, die bescheiden fluistert terwijl dichtbij de assertieve samenleving raast. |
|