| POEZIE |
Klooster San Jeronimo, Belem
Je kunt je leven elk ogenblik
Opnieuw beginnen door niets
Meer te willen dan dit nu:
Blauw en geel, luchtsteen en zand,
Het kappen van een zuil en
Stemmen op een zuilengang.
Keer in je tegenbeeld,
Het luie vliegtuig in
De smetteloze dag, ga met
De mussen en de meeuwen
Op het dak, kom neer als
Kiezel, je handen schrijven,
Een kind roept je naar deze uren,
Denk aan water, verre eeuwen.
Het is nu.
Angye in de salsabar
We glijden in een stroom die
Van Cadiz over de droom tot
Puerto Rico reikt, we komen er
De snelheid tegen, de lome slaap
Van algen, rifbouw en demonen;
We vinden er elkaar in knopen
Die het lichaam weer ontwarren
Uit verlangen, fasering van
Een wenteling, een oogopslag;
De mengelmoes die ons doorbreekt
Met wat voorhanden is na middernacht,
De overvloed van privileges in een spiegel,
Mensenmachine in een Gran Hotel,
Iets als organen in het donker
Van haar heupen, kleine afgrond,
De golf die koortsig maakt
En zich bevrijdt, daar voor
De kleine ronde tafel
Waar het haar indrinkt,
Volmaakt, alsof wij het waren
In het schaduwrood van
Vleugels op haar rug,
Waar ze belofte
Is, en bloedt. |
|