ESSAY
De taal van de Ander


Het imago dat het naar onafhankelijkheid strevende Vlaanderen in de wereld aan het opbouwen is, roept internationaal nogal wat gefronste wenkbrauwen op: sociale woningen in de Rand rond Brussel uitsluitend bestemd voor wie een integratiecursus Nederlands volgt; kavels bouwgrond uitsluitend bestemd voor wie minstens twee jaar in de betreffende gemeente woont; burgemeesters die niet benoemd worden omdat ze niet de vereiste officiële taal hebben gesproken tijdens een zitting, of gemeenteformulieren hebben verstuurd die niet in het Nederlands waren opgesteld. Diezelfde (Franstalige) burgemeesters die weigeren in te zien dat integratie een democratisch verstandiger optie is dan zich wentelen in cultureel protectionisme. Zijn de ooit polyglotte Vlamingen plots xenofoob en racistisch geworden? Zijn de Franstaligen in de Rand rond Brussel wereldvreemd en nostalgisch? Waar gaat het heen met le plat pays, dat de Europese Commissie in zijn hoofdstad herbergt? Waar gaat het heen met een hoofdstad waar, in plaats van Nederlands en Frans, in vele wijken inmiddels Lingala, Berber, Arabisch en Swahili wordt gesproken? Beantwoordt de bicommunautaire bril, waardoor de wereld de strubbelingen in België volgt, nog wel aan de demografische actualiteit?
Er bestaat een directe, noodlottige band tussen populisme en radicalisering, - iets wat in heel Europa als tendens aanwijsbaar is, dus ook in België. Historisch bewustzijn blijkt gereduceerd tot navelstaarderij: iedereen zet de geschiedenis naar zijn hand om het eigen gelijk te bewijzen. Separatisten in Vlaanderen beweren dat België een artificiële constructie is, een mislukt huwelijk dat nu maar eens moet ontbonden worden omdat er zelfs over sociale en politieke materies geen consensus meer bereikt kan worden. Dit discours, dat geschraagd wordt door een goed deel van de kleinburgerlijke klasse, is niet zo archaïsch als het oogt; het is vagelijk postmodern. Het gaat uit van een Europa van de regio’s, het tooit zich met de veren van een edelmoedig ogende, haast ecologische demografie, die zich tegen de indifferentiëring van de globalisering zegt te keren. In menig Vlaams separatist schuilt een mediocere versie van José Bové. De keerzijde daarvan is een protectionistisch terugplooien op zichzelf – en daar wordt de postmoderne attitude synoniem voor fundamentalisme. Met de scheiding der politieke partijen in Vlaamse en Franstalige afdelingen, nu reeds enkele decennia, is ook de scheiding der geesten reeds lang voorbereid. Inmiddels is vooral in Vlaanderen een xenofoob discours ontstaan dat zich hult in pragmatisme; men wil af van de ander, omdat die niet meewerkt in dossiers die men zogezegd louter functioneel wil aanpakken. Aan Franstalige kant beweert men dan weer dat de Vlamingen altijd al conservatief en bekrompen zijn geweest, op die manier hun cultureel internationale traditie miskennend. Het hoeft dan ook niet te verwonderen, dat politici van beide kanten hun electoraat paaien met morele karikaturen van de Ander, die het ontbreken van politieke visies moeten maskeren.

Ik woon sinds tien jaar in de Brusselse rand, dus in de regio die in de wereld bekend is geworden als BHV: Brussel-Halle-Vilvoorde. Ik heb er, in een Vlaamse randgemeente, buren die Frans spreken, maar ook buren die Amerikaans, Fins of Pools spreken. In deze context ziet men de problematiek van de uitdijende hoofdstad elke dag op straat. De oude Vlaamse gemeenten willen – zoals dat ook in het Provençaalse dorpje gaat waar ik ’s zomers woon – een stuk van hun eigenheid behouden en vinden het nogal vernederend in hun eigen straten afgeblaft te worden met een ‘comprends pas’ of erger nog: ‘sale Flamand’. Men spuwt niet op de vloer van iemand waar men te gast is, zou men kunnen zeggen. Het vasthouden aan het recht om alleen maar de eigen taal te willen spreken werkt nergens ter wereld de integratie in de hand, het wekt alleen maar afkeer en onbegrip van het land waar men gaat wonen. Russen in Polen die weigeren Pools te spreken hebben hetzelfde probleem, net zoals Engelsen die in Frankrijk geen woord Frans willen uitbrengen. Nochtans spreken Marokkanen in Gent of Antwerpen vlot Nederlands. Waarom doen de Franstaligen in de Rand van Brussel dat niet, en verwijten ze de Vlamingen een Blut-und-Boden politiek wanneer hen gevraagd wordt tweetalig te worden in een Nederlandstalige context? Stel dat zo’n tienduizend Vlamingen zich in de omgeving van Waterloo vestigen, er een Nederlandstalige burgemeester verkiezen die Franstalige gemeentedocumenten zou saboteren: zouden de Franstaligen nog over droit des gens spreken, of zouden ze ook respect voor de taal en cultuur van hun territorium vragen? Uiteraard zouden ze dat laatste doen. Om maar te zeggen: de frustratie van de Vlamingen in de Brusselse rand is gegroeid uit decennialange confrontatie met mensen die de uitnodiging tot culturele integratie in het Nederlandstalig landsgedeelte beschouwden als een persoonlijk affront. Deze weigering is electoraal een hefboom geweest voor een radicalisering van de Vlaamse geesten, met verfoeilijke excessen als het Vlaams Belang en protectionistische paranoia in de randgemeenten tot gevolg. In een tijd waarin de Vlamingen ongeveer alle rechten hebben verworven waarop elk volk democratisch gesproken recht heeft, maken ze zich nerveuzer dan ooit om het taalprincipe, en beschouwen ze dat als de oorzaak van alle misverstanden. Daar zit natuurlijk iets in: twee samenlevende volkeren die elkaars kranten niet lezen, kweken al gauw karikaturen van elkaar. Maar daar hebben de Vlaamse politici evenveel schuld aan: ze interesseren zich zelf amper nog voor hun zuiderburen.
De radicalisering heeft ook veel te maken met de decennialange urbanistische verloedering van de hoofdstad, die in Vlaanderen wordt gezien als de verantwoordelijkheid van de Franstalige bourgeoisie. Brussel wordt vanuit la Flandre profonde dan ook gezien als een te mijden, onzindelijke plek waar financiële corruptie hoogtij viert en waar de Vlaming wordt beschouwd als een vervelende bemoeial. Tegelijk wordt Brussel nostalgisch opgeëist als historische hoofdstad van Vlaanderen, maar piekeren veel Vlamingen er niet over om er zelf te komen wonen en hun verantwoordelijkheid op te nemen. Elk pragmatisch beleid wordt tegengewerkt door bicommunautair gekrakeel, terwijl de stad om een drastisch multicultureel sociaal beleid smeekt, met visie op de demografische complexiteit.
Reeds in de tijd van grote verlichte geesten als de zestiende-eeuwse componist Orlando di Lasso (die veelzeggend genoeg eigenlijk Roland de Là-Dessus heette en afkomstig was uit Mons) werden Frans, Vlaams en Duits door elkaar gesproken op het grondgebied dat nu België heet. De unieke versmelting van Latijnse en Germaanse elementen, die typisch is voor de Belgische identiteit, dateert van lang voor 1830. De hybride cultuur die daaruit is gegroeid, is dus organisch en niet artificieel, wat de separatisten ook mogen beweren. Het is het hedendaags overdrijven van de verschillen dat artificieel is. Met de Vlaamse Beweging, die reeds eind achttiende eeuw ontstond en die in de twintigste eeuw emancipeerde, hebben de Vlamingen hun burgerschap, als meerderheid van dit land, zonder één gewelddaad geëist en gekregen. Wat nu de geesten zo intens verdeelt, is historisch gezien, en zeker in de Europese context, dan ook volstrekt futiel, maar het ligt symbolisch erg gevoelig. De mens is nu eenmaal een semiotisch dier.
Dus blijven er de banale irritaties, die door de media en de politici aan beide kanten worden aangewakkerd. Zo heeft het veel Vlamingen, die sinds eeuwen in deze stad wonen, geschokt toen een Franstalig politicus enkele jaren geleden over het internationaal georiënteerde ‘Kunstenfestivaldesarts’ in Brussel zegde, dat het een Vlaams ‘paard van Troje’ vormde dat de stad wou inpalmen. Zulke uitspraken verraden een vorm van cultureel racisme dat nog intens leeft in sommige Brusselse milieus. Als Vlaming wordt men in Parijs met meer respect behandeld dan in Brussel. Anderzijds vormt het cultureel narcisme van de separatistische Vlaamse partijen al evenzeer een rem op de toekomst van Brussel in het Europa van morgen, en is het nostalgisch vasthouden aan plat Vlaams dialect niet bepaald een uitnodiging aan de internationale gemeenschap om correct Nederlands te leren. Het hoofdzakelijk Franstalige Brussel ligt inderdaad in Vlaanderen, maar de hoogstnodige uitbreiding van de hoofdstad moet rekening houden met een explosieve multiculturaliteit. Dat kan alleen gebeuren met politieke gastvrijheid van beide grote gemeenschappen. Geen enkele – in onze ogen altijd naïeve – Europese bemiddelaar kan ons daarbij helpen.
In het Europa van morgen is de Belgische hybriditeit nochtans een cultureel winstpunt. De Belgen zijn vertrouwd met de onderhandelings-sofistiek die gepaard gaat met het omgaan met de Ander. De Belgische palaverdemocratie is op zich een goede democratie; ze leert ons dat samenleven een kwestie is van differentie, en niet van een pensée unique. In deze tijden, waarin Brussel een opwindend hedendaags Babel is geworden, zouden de Belgen Europese modelburgers moeten zijn in plaats van de risée. België kan maar door één ding worden gered: door een politiek van wederzijds respect. En dat respect begint met een cultureel gebaar: men leert de taal van de Ander en spreekt die uit cultureel respect voor de alteriteit – uit democratische overtuiging. Wie een ééntalige cultuur wil, wie geen tweede taal wil spreken in dit land, is reeds separatist, of hij nu Franstalig of Nederlandstalig is. In het België van vandaag, dat op het kruispunt van de grote Europese culturen ligt, is zelfs een derde taal reeds lang een basisnoodzakelijkheid. In een ver verleden zei de Belgische kardinaal Mercier: la Belgique sera latine ou elle ne sera pas. De geschiedenis heeft hem ongelijk gegeven: België zal polyglot zijn of niet zijn. Het is iets waar de Belgen fier op zouden moeten zijn, in plaats van zich met allerlei populistische vooroordelen af te sluiten voor elkaar.

© Stefan Hertmans, Le Monde, 16-05-2009









De dood in het schrijven

Als het waar is dat de Geest pas geboren wordt op het ogenblik dat hij zijn mogelijke dood kan denken, zoals men met Hegel zou kunnen besluiten, dan is het literaire werk slechts een oefening in eindigheid. De gedachte aan de dood wordt in de schriftuur dan een affirmatie van specificiteit van het menselijke leven: dat het een bewust én eindig leven is, bewust van het feit dat het bestaat, dat het er is, dat het voorhanden is als een heden, en dat het in zijn toekomstperspectief zal worden opgeheven. Als de Geest enkel menselijk is omdat hij zijn eigen opheffing kan denken, dan is het spirituele leven, dat door het schrijven wordt veroorzaakt, altijd een vorm van Wake.
Maurice Blanchot wijst er in L’espace littéraire op dat men de dood op zich moet nemen door te schrijven; naar aanleiding van de grote dood die beschreven wordt in Rilkes Malte Laurids Brigge, stelt hij zelfs dat we dichters van onze dood zijn om ten volle te kunne leven. Ik had haast geschreven: dat we dichters van de dood moeten zijn; alleen: men kan en mag het niet willen, niet als een teleologie beleven, want de dood is geen objectief; ze is wat zich aan de rand van het leven ophoudt als zijn ware kern. De dood is het par-ergon dat het werk van het leven omkadert als zijn ultieme zingeving.
Dat men de dood op zich moet nemen, verleent het schrijven een radicaliteit die het anders nooit zou kunnen verwerven; wanneer de schriftuur een oefening is in doodgaan, en daarmee filosofisch een juxtapositie wordt van de soevereine zelfmoord, die men niét volvoert maar als voortdurende mogelijkheid tegenover het bewuste leven plaatst, dan is het schrijven niets anders dan de affirmatie van wijsgerig bewustzijn. Schrijven wordt dan een praxis die het leven affirmeert door zijn eindigheid om te zetten in een innerlijke oneindigheid: die van de mogelijkheden van de schriftuur, en daarmee van de werking van de geest.
Men moet dus de dood op zich nemen om te kunnen schrijven; niet zomaar de anonieme, indifferente dood, maar de dood die is toegesneden op het eigen leven (want men zoekt de dood die zichzelf past als de ene, individuele dood, waarover Rilke zegt dat ze straks al even zeldzaam zal zijn geworden als het werkelijk grote, persoonlijke leven).
Indien dit alles waar zou zijn, dan is elk woord dat men schrijft gericht aan de Hades die ons zegt dat de toch maar één keer kan worden gemaakt, en houden we ons op de oevers van de Lethe op om daar te ontwaren wat er ons te wachten staat. Nochtans verlaat ik met dit orfisch perspectief in strikte zin reeds de existentialistische ruimte, en begeef me in het transcendent perspectief (dat ook transcendentaal is omdat het probeert het leven te beschouwen vanuit een punt erbuiten). De schriftuur is de niet-terughaalbare Eurydice, zo suggereert ons Blanchot, zij is het omwille waarvan de schrijvende zijn leven doorbrengt, door alleen maar aan haar te denken en zijn eigen einde op haar altijd reeds voorbije einde af te stemmen.
Dat het einde van de literatuur altijd reeds achter ons ligt, maakt dat we schrijven om weer op te wekken; de Wake wordt daar een ritueel om het voorbije tot leven te wekken (de herinneringsarbeid die aan elk schrijven ten grondslag ligt). De Orfeusmythe wordt op die manier het verhaal over het bewustzijn van de schriftuur: dat zij op haar uiterlijke eindigheid is gefixeerd en die probeert te transcenderen in een innerlijke oneindigheid. Maar men moet uitkijken dit orfische schrijven niet als een troostarbeid op te vatten; de dood geeft ons niets, en dit letterlijk niets is de alomvattendheid van haar project: de schriftuur verzet zich tegen de gave die de dood haar doet, een gave die haar eigen opheffing bevat; ze wil dit Niets alleen aanvaarden als ze het kan omzetten in een schijnbaar Alles (dat in een gesloten universum van de eigen schriftuur toch een omsloten Alles is, een allegorie waarin de wereld wordt gesymboliseerd zoals het menselijk bewustzijn die waarneemt door
het vervormend perspectief van de eigen ervaring van leven).
Blanchot citeert Kafka, die aan Max Brod schrijft dat men enkel schrijft om gelukkig te kunnen sterven. Dit assumeren van de dood in en door de schriftuur maakt het schrijven tot een stoïcijnse arbeid, een constructie van de oneindigheid in de eindigheid.
Wanneer de dood letterlijk niets is, dan maakt ze het leven tegelijk tot alles; wanneer de dood ons niets geeft, dan verklaart ze nochtans de fundamentele ervaring van wat het is, in leven te zijn; zodat de schrijvende, die laboreert aan de eigen zinvolle dood, uiteindelijk de held zonder heroïsme wordt die leeft ‘entre les deux morts’, zoals Lacan het noemt naar aanleiding van Antigone. Men kan deze hoogst persoonlijke, zinvolle dood echter niet beleven; ofwel bestaan wij, en dan is de dood er niet, ofwel is de dood er, en zijn wij er niet (Epicurus). Daarom is de hoogst persoonlijke dood die men op zich neemt door ernaar te verlangen zoals Orfeus naar Eurydice, voor altijd onbenaderbaar; men schrijft dus op een wijkende horizon, die net door zijn wijkende beweging het leven veroorzaakt dat we leiden. Deze wijkende horizon is de horizon van het eenzame, geestelijke leven dat ontstaat door het dagelijks beoefenen van dit roepen naar de overkant; wat we maken, ons hele leven
lang, is muziek voor de overtocht.
‘Nous devons être les figurateurs et les poètes de notre mort’ (Blanchot).[/i][b][/b][i]
Gepubliceerd op 24 Aug 08 @ 09:13 Terug naar de berichten
© Foto Klaas Koppe
NL | FR | EN | DE | ES
Overzicht Flapteksten Covers
Varia Het Putje van Milete Vuurwerk zei ze Harder dan sneeuw Kaneelvingers Muziek voor de overtocht
Poëzie Proza Essay Theater Lezingen Interviews